Bewoners laten ’s nachts het licht branden, de kranten schrijven over “de bandieten van de Maasvallei”. Het voorjaar van 1927 houdt de Maasvallei in zijn greep — en achter die angst zitten twee Italianen uit de mijngemeente Eisden. Giacomo Scarsi en Francesco Gattuso vergiftigen waakhonden, breken systematisch in en schieten op gendarmen. Tot de laatste tram van de avond hen verraadt.
Eisden, 1927. De mijngemeente is amper tien jaar oud maar al een wereld op zich. Veel buitenlandse arbeiders — Polen, Hongaren, Slovenen en een deel Italianen — hebben zich genesteld in de huisjes van de gloednieuwe cité. De grote migratiegolf van Italianen moest nog komen in de jaren 50, maar een deel – vooral politieke vluchtelingen nadat Mussolini in de jaren 20 aan de macht komt.
Eén van de Italianen die in Eisden woont is Giacomo Scarsi. Een twintiger die al in Italië en later in Frankrijk geseind stond en vooral niet al te veel zin heeft om de mijnschachten af te dalen. Scarsi blijkt een nachtmens te zijn. Al snel vindt hij andere manieren om geld te verdienen: stelen.
In de nacht van 21 februari op 2 maart 1927 steelt hij op een onbekend adres in het Maasland 600 frank en twee pistoolmagazijnen. Hij bewapent zich voor wat nog komen gaat.

Vanaf dan gaat Scarsi systematisch te werk. In Lanklaar breekt hij in bij Raymond Martin en steelt een overjas, een klok en geld. In Elsene bij Brussel steelt hij een valies, een bontmantel, een polshorloge. Vlakbij in Ukkel slaat hij drie keer toe en steelt zilver, geld, en eet soms zelfs in de woningen waar hij toeslaat.
Scarsi laat overal vingerafdrukken achter: op glazen, op raamkozijnen, op deuren, maar dat beseft hij niet, of het kan hem niet schelen. Wat hij ook doet: de honden des huizes vergiften.
Ergens in het voorjaar van 1927 ontmoet Scarsi een andere Italiaan die ook in Eisden vertoeft: Francesco Gattuso. Ook Gattusso pendelt graag van Eisden, naar Brussel, tot in Charleroi. De twee worden kompanen en zullen nog meer gaan inbreken. Ze stelen in Anderlecht, in Sint-Jans-Molenbeek, in Mechelen-aan-de-Maas, in Vucht, in Lanklaar.

In de Maasvallei gaat de inbrakengolf hard en de sfeer slaat om in angst. Bewoners laten ’s nachts het licht branden. De kranten schrijven over “de bandieten van de Maasvallei”.
Scarsi en Gattusso pendelen intussen rustig verder, slaan keer op keer toe en de gendarmen tasten in het duister. Al maken ze in mei 1927 een eerste kapitale fout.
In de nacht van 16 op 17 mei gaat het mis in Anderlecht. Daar worden ze bij een inbraak verrast door politieagent Camille Claes. Het duo lost meteen een schot en Claes ontsnapt op miraculeuze wijze aan de dood.
De twee laten Brussel voor wat het is en trekken zich terug naar de Maasvallei waar ze één nacht later al opnieuw toeslaan. Dit keer bij Théodore Berben in Vucht. De buit: 300 frank, maar bewoner Berben wordt wakker. Scarsci zal hem toetakelen en mishandelen. Men verwittigt meteen de gendarmen, en de jacht op de twee Italianen wordt ingezet.
Iedereen staat op scherp. De twee zijn voortvluchtig en nemen ’s avonds laat de tram richting Lanaken, wellicht om in Tongeren het station te bereiken en zo verder te vluchten.

Iets voor middernacht en de laatste tram stopt in Lanaken. De machinist herkent de twee verdachte figuren die uitstappen en verwittigt de rijkswacht. Wachtmeesters Brams en Van Ham gaan eropaf en roepen de mannen tot stilstand.
Gattusso slaat op de vlucht, Scarsi draait zich om en trekt zijn revolver. Het schot klinkt en Van Ham zakt ineen, geraakt door een kogel in het been. De gendarmen schieten terug, maar de gangsters lopen weg. Een tijd lang ontbreekt elk spoor, tot een tip naar Eisden leidt. Daar vallen de gendarmen binnen in koffiehuis ‘t Nieuwe Station.
Scarsi wordt vlot gearresteerd. Gattusso zit ook vlakbij en springt uit een raam om te vluchten door de heide en bossen. De agenten zetten de achtervolging in, en er wordt in beide richtingen geschoten. De klopjacht duurt tot ’s avonds laat. Een tijd later wordt Gattusso alsnog gevat.
Assisen in Tongeren
Een jaar later, maart 1928. Beide mannen moeten voor het hof van assisen verschijnen voor drievoudige moordpogingen op rijkswachters en tal van inbraken. Het Assisenhof van Limburg pakt uit met een proces dat een week zal duren, de zaal zit elke dag vol.

Meer dan 20 getuigen worden gehoord, 80 vragen worden gesteld. Een dame vertelt hoe de mannen bij haar inbraken, vier flessen leegdronken, en haar lege portemonnee stalen. Een Poolse getuige weigert te antwoorden omdat ‘de staat hem niet betaalt voor zijn tips’.
Een meisje van dertien — de kleine Mathilde — beschrijft in doodse stilte hoe een inbreker met een hoed op, een soort poeder bij haar in de ogen gooide toen het meisje de dader betrapte.
Waarop de voorzitter de confrontatie aangaat:
“Scarsi, zet uw hoed op… Is het hem?‟
Het meisje antwoordde zonder aarzelen:
“Ja, dat is hem”.
Scarsi ontkent alles en schuift de schuld op Gattuso. Als de voorzitter hem confronteert met de vele bewijzen — zijn vingerafdrukken op tientallen plaatsen — antwoordt hij onbewogen: “Als ik alles had gedaan waarvan men mij beschuldigt, had ik wekenlang niet kunnen slapen.” De voorzitter kijkt hem aan: “Dat is nochtans precies wat de vingerafdrukken bewijzen.“
Italiaanse moeder
Op de slotdag van het proces probeert de voorzitter van het hof het onmogelijke. “Scarsi, het is nog niet te laat. U gaat terug naar uw cel. Na uw straf, zal u onder begeleiding door twee gendarmen naar de Italiaanse grens worden gebracht. Er is daar een moeder die op u wacht… Denk aan haar… In naam van uw moeder, smeek ik u spijt te betuigen“
Scarsi zakt emotioneel ineen, zo omschrijft de journalist van La Meuse. De jury beraadslaagt één uur. Beide heren zijn schuldig. Scarsi wordt veroordeeld tot twintig jaar dwangarbeid. Gattuso krijgt tien jaar.
Krankzinnig
Een half jaar later in oktober 1928, bericht de pers vanuit Leuven dat Giacomo Scarsi in de gevangenis ‘krankzinnig zou zijn geworden’. “De kans is groot dat hij het speelt, zoals hij eerder ook al deed”, schrijven de kranten.